• Wat is er nieuw aan het pensioenstelsel?
  • Tussenstand PFI-project ‘Wij werken aan uw pensioen’
  • Wonen in de toekomst
  • Doorstroming op de woningmarkt
  • Waarover gaat het jaarplan 2020 van VO-PFI?

COMMISSIE PENSIOENEN

Wat is nieuw aan het nieuwe pensioenstelsel?

Op 5 juni vorig jaar werd na een jarenlange discussie een principeakkoord pensioenhervormingen gesloten. Nu, iets meer dan een jaar later, is het definitieve pensioenakkoord gesloten naar de Tweede Kamer gestuurd, daar besproken en aangenomen voor verdere wetgeving. Wat is nieuw aan dit nieuwe en definitieve akkoord? “De echte details moeten nog worden ingevuld”, schrijft Wim Evers.

Het kabinet wil de aanpassing van de relevante wetgeving (o.a. de Pensioenwet) op 1 januari 2022 hebben afgerond en de invoering van het nieuwe stelsel moet uiterlijk op 1 januari 2026 een feit zijn. Omdat de Pensioencommissie haar leden graag zo volledig wil informeren hebben wij een uitvoerige toelichting geschreven. Deze staat op de website. Hier volgt een korte samenvatting van de belangrijkste punten uit het akkoord. 1. Besloten is al dat de AOW-leeftijd de komende twee jaar wordt bevroren en minder snel gaat stijgen. 2. Er komt een onderzoek naar het stoppen met werken na 45 dienstjaren. 3. Mensen die zwaar werk verrichten, kunnen eerder stoppen met werken (maximaal 3 jaar voor pensioendatum). 4. Pensioenfondsen met een dekkingsgraad boven de 90 hoeven in 2021 niet te korten. 5. De doorsnee premie-systematiek wordt afgeschaft. 6. Er komt geen pensioenplicht voor zzp-ers, wel een verplichte Arbeidsongeschiktheidsverzekering. 7. De kenmerken van het nieuwe pensioenstelsel zijn de volgende: a. Alle werknemers krijgen in het nieuwe pensioenstelsel een zogeheten premieregeling. De ingelegde premie en het beleggingsrendement daarop bepalen wat voor pensioen een werknemer mag verwachten. b. Er komen twee soorten pensioenregelingen. De eerste optie is 'Het Nieuwe Contract', waarin de pensioenpot ‘één collectief’ blijft maar de deelnemers wel allemaal hun eigen aandeel daarin krijgen. De tweede optie is de wet verbeterde premieregeling, waar alle deelnemers een eigen pensioenpot hebben. In 2026 moet elk pensioenfonds een keuze hebben gemaakt voor één van beide opties en klaar zijn met de invoering ervan. c. Pensioenfondsen die kiezen voor Het Nieuwe Contract moeten ook een solidariteitsreserve aanhouden. d. Er komt een einde aan de rekenrente en de dekkingsgraden: pensioenen gaan meer meebewegen met de financiële markten. e. De pensioenpremie wordt 'stabieler en beter voorspelbaar’. f. Op de datum van je pensionering kun je eenmalig maximaal 10% van je pensioen opnemen. Verlofsparen om eerder met pensioen te kunnen gaan. Voorlopige conclusie Voordat de invoering er is, zal nog heel wat moeten worden “gepolderd”. Niet alleen op het niveau van regering en parlement, maar ook via diverse maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld voor ouderen en jongeren) en door verzekeraars en sociale partners op landelijk, maar ook op bedrijfs- en bedrijfstakniveau. Al is er veel gesproken en vergaderd in het afgelopen jaar, de echte details moeten nog steeds worden ingevuld. En wat gaat het voor PFI en CDC-deelnemers betekenen? Hierover nog een aantal opmerkingen: - Er komt een landelijke transitiecommissie van werkgevers en werknemers met een onafhankelijke voorzitter. Deze commissie moet, indien de sociale partners (in bedrijven of sectoren) het niet eens worden over de overstap naar het nieuwe stelsel, een bindend advies geven. - Een spannend onderwerp blijft de compensatie voor 35-plussers door het wegvallen van de doorsneesystematiek. Ondanks het feit dat het Centraal Plan Bureau en een aantal pensioenfondsen denken dat het bij veel fondsen wel zal lukken om dit ‘gat’ te vullen. Maar kennelijk niet overal. - Ook wordt in de stukken niet gesproken over hoe de overgang zal gaan indien sprake is van een gesloten fonds zoals het Pensioenfonds ING: in alle stukken wordt uitgegaan van inkomsten uit premie en beleggingen en dat bij de fondsen sociale partners tot overeenstemming moeten komen. - Bij de CDC-pensioenfondsen is wel sprake van betrokkenheid van sociale partners: de zaken rondom pensioen vormen onderdeel van de cao-onderhandelingen. Wij blijven als altijd ook in deze nieuwe ontwikkelingen bij de les en blijven onze invloed en aanwezigheid bij zowel het PFI als de CDC-fondsen waarmaken. (Wim Evers, voorzitter pensioencommissie)

COMMISSIE PENSIOENEN

Tussenstand project “Wij werken aan uw pensioen”

Aan het begin van dit jaar hebben wij laten weten wat onze mening was over de uitwerking van het project “Wij werken aan uw pensioen”. Stap voor stap en ondanks de corona-perikelen is het project toch voortvarend uitgevoerd. Wat is momenteel de stand van zaken?

De data die gepland waren in 2020 lijken te worden gerealiseerd. Wij worden als pensioencommissie regelmatig (en meestal via video) bijgepraat over de stand van zaken. Nu het project zijn volgende en voor alle deelnemers laatste fase ingaat, willen wij u hierover informeren. 1. Wat is er inmiddels klaar? Veel van de werkzaamheden van het project, dat beoogt de vele pensioenreglementen die ING en NN rijk zijn te stroomlijnen, bevinden zich in een vergevorderd stadium. a. Sinds 1 januari jl. bestaat nog maar één reglement dat geldt voor alle 70.000 deelnemers: het Pensioenreglement Pensioenfonds ING 2020. Op de website van het Pensioenfonds is het hele reglement te lezen. b. Vanaf eind december vorig jaar is voornamelijk door medewerkers van AZL, dat de administratie voor Pensioenfonds ING uitvoert, gewerkt aan de conversie van de gegevens uit de bestaande reglementen naar het nieuwe reglement. Op dit moment (eind juli) is deze conversie succesvol verlopen en worden de controles intern én door een externe accountant uitgevoerd. c. Vanaf eind juli worden de mutaties die zijn opgetreden door pensionering, overlijden, verhuizing etc. doorgevoerd in het nieuwe systeem. Dat zijn nog heel wat mutaties, als je bedenkt dat vanaf 1 januari tot eind juli alleen al 1.000 deelnemers met pensioen zijn gegaan. d. De koppeling van het pensioensysteem aan andere interne systemen (zoals het betaalsysteem) wordt nu gemaakt. 2. Wanneer merk ik er iets van? Zoals de zaken er nu voor staan, ontvangt elke deelnemer eind augustus een brief waarin precies wordt aangegeven wat de “oude situatie” was en wat de nieuwe situatie is. Dat wordt, mits van toepassing, ook weergegeven in bedragen, zodat de betreffende deelnemer weet waar hij of zij financieel aan toe is. Wij hebben begrepen dat vooral voor deelnemers bij wie veel verandert door de overgang van het oude naar het nieuwe reglement, de brief behoorlijk uitgebreid en ingewikkeld kan zijn. Daar wordt bij Pensioenfonds ING qua beschikbare mankracht rekening mee gehouden. Schroom vooral niet t.z.t. contact te leggen met het fonds. Voor deelnemers boven 55 jaar wordt in de brief ook aangegeven dat zij gebruik kunnen maken van de nieuwe pensioenplanner: Deze planner, genaamd “Mijn Pensioenplan”, waarin men scenario´s kan maken van de verschillende pensioenkeuzes die het nieuwe reglement biedt, kan men zijn of haar pensioen aanvragen. Voor de deelnemers jonger dan 55 is de pensioenplanner vanaf begin volgend jaar beschikbaar. Deelnemers die in het Pensioenreglement onder de Pensioenregeling 68 zijn ondergebracht, ontvangen door de complexiteit van de veranderingen deze brief en de UPO pas eind september van dit jaar. Daarnaast ontvangen de deelnemers vòòr het eind van het jaar de UPO (Uniform Pensioen Overzicht) per 1 januari 2020. 3. Is dit de laatste informatie die wij van de pensioencommissie krijgen? Dit zal inderdaad in het ledenmagazine de laatste informatie over dit project zijn maar wij zullen leden net als vorig jaar, kort voor het verschijnen van de brieven, voorzien van actuele informatie via een nieuwsbrief. (Wim Evers, voorzitter Pensioencommissie)

COMMISSIE SOCIAAL ECONOMISCHE BELANGEN

Wonen in de toekomst

In Ons Belang nr 1 van dit jaar stond een artikel over hoe je overwaarde op je huis kunt opnemen. Ook andere opties zijn mogelijk met vermogen uit je huidige huis. Zo viel mijn oog op een artikel uit het Eigen Huis Magazine (maart 2020): “Samen bepalen hoe je later woont”. Hoe gaan we straks wonen nu onze huidige woningen soms te groot zijn geworden, bijvoorbeeld omdat de kinderen het huis uit zijn? Zijn onze huidige huizen dan niet geschikt of niet geschikt te maken voor toekomstig gebruik? Of is verhuizen naar een appartement misschien een beter idee of moeten we denken aan een zorginstelling als beperkingen hiertoe dwingen? Of?

Ik kwam in het eerdergenoemde Eigen Huis-artikel een idee tegen om met andere oudere mensen gezamenlijk een wooncomplex op te zetten en te gaan bewonen. Mensen, in vergelijkbare situaties, die naar elkaar omkijken. Die samen met elkaar een kop koffie drinken, met elkaar willen bridgen, die elkaar helpen als iemand is geopereerd en daarna samen de schouders eronder willen zetten tijdens de revalidatie. En het bovenal gewoon gezellig met elkaar willen hebben. Samenwonen maar toch je zelfstandigheid en privacy behouden. Nieuwe woonvorm Zo’n gemeenschappelijk huis ben ik meer dan twintig jaar geleden al eens tegengekomen ergens in het Gooi. Ik heb het nooit vergeten omdat het er zo leuk uitzag en het was zo simpel van opzet. Het betrof een groot vrijstaand huis dat was opgedeeld in appartementen. Die appartementen leverden voor de ouderen voldoende ruimte op om zich terug te trekken. Daarnaast waren er meerdere gedeelde ruimtes. Er was een grote woonkeuken, een ruime zitkamer en nog wat andere ruimtes, zoals een TV-kamer. Dit mooie huis had daarnaast een grote gezamenlijke tuin. Met dit in mijn achterhoofd las ik het verhaal “Samen bepalen hoe je later woont”. Het betreft een nieuwe woonvorm voor ouderen. Het artikel neemt ons mee in de ontstaansgeschiedenis en de oplevering van het eerste Knarrenhof in Zwolle in 2018. In totaal werden 48 eengezinswoningen, in een opstelling als van een vroeger hofje, opgeleverd. De bewoners zijn zonder uitzondering erg positief. Ze zijn en voelen zich niet meer eenzaam. Een goede strijd tegen het door onze Koning genoemde ‘eenzaamheidsvirus’. De panden zijn onderhoudsvriendelijk en met de beste materialen gemaakt. Er worden veel activiteiten georganiseerd en dus hoeft niemand achter de geraniums te blijven zitten. Een mooie oplossing! Drempels Toch komen deze hofjes er niet zonder slag of stoot, ondanks de grote belangstelling die ouderen voor dit soort woonvormen aan de dag leggen. Er is namelijk een aantal belangrijke drempels. Een eerste drempel (1) is dat banken moeilijk doen. Banken willen pas geld lenen voor de bouw als alle risico’s weg gemanaged zijn. En dat terwijl best al veel geld nodig is in de planningsfase. Een tweede drempel (2) is dat geen aanspraak gedaan kan worden op subsidie. De hier genoemde Stichting van het initiatief de Knarrenhof wordt door de overheid gezien als een projectontwikkelaar en niet als een sociaal ondernemer. Er lijkt een toezegging door de overheid te zijn om de voorwaarden voor subsidie aan te passen. Maar vooralsnog is dit nog niet geregeld. Het volgende obstakel (3) heeft betrekking op de moeilijkheid om een goede locatie te vinden. Dit heeft ondermeer te maken met de bereidwilligheid van de gemeente om fatsoenlijke grondprijzen te rekenen voor centraler gelegen gronden. Je wilt immers onderdeel blijven uitmaken van de gemeenschap en niet ergens naar de rand worden weggeduwd. De vierde drempel (4) wijst op de hogere aantrekkelijkheid om in plaats van seniorenwoningen rijtjeshuizen te bouwen. Dat levert gewoon meer geld op in het laatje van de gemeente. Wonen in de toekomst vraagt doorzettingsvermogen om, samen met professionals, een dergelijk initiatief tot uitvoering te krijgen. Maar nieuwe woonvormen zullen in de toekomst steeds vaker gaan voorkomen. Nadere informatie over de landelijke Stichting Knarrenhof kan je vinden op knarrenhof.nl. (Martin Hoedemakers, Commissie Sociaal Economische Belangen)

COMMISSIE SOCIAAL ECONOMISCHE BELANGEN

Doorstroming op de woningmarkt

Nederland wordt drukker, grijzer en diverser, aldus NRC, 6 juli 2020. Waar en hoe gaat iedereen wonen als het aantal inwoners stijgt? Het Planbureau voor de Leefomgeving schat in dat we kunnen afstappen van de gedachte dat Nederland meer eengezinshuizen nodig heeft omdat de vraag naar appartementen toeneemt. Volgens een notitie van het Planbureau laat de betalingsbereidheid zien wat mensen echt belangrijk vinden als ze moeten kiezen op basis van hun mogelijkheden.

Tegelijkertijd zijn er senioren die niet per se op zoek zijn naar een appartement als alternatieve woonvorm voor hun huis dat te groot is geworden. Het is niet ondenkbaar dat nieuwe woonvormen, waar bijvoorbeeld gemeenschapsvorming een belangrijke rol speelt, in de toekomst steeds vaker voor gaan komen. Woonvormen gericht op het zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen waarbij bewoners zoveel mogelijk zelf de regie in handen houden. Woonbehoeften Moeten we dan wel afstappen van de gedachte dat we meer eengezinshuizen nodig hebben? Friso de Zeeuw (Emeritus Praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling TU Delft) en Geurt Keers (Adviseur wonen en ruimtelijke ordening) zijn van mening dat er meerdere invalshoeken zijn om naar woonvoorkeuren te kijken. Uit hun analyse van WoON 2018 (WoningbehoeftenOnderzoek Nederland) blijkt dat de nieuwbouwvraag volgens de woonwensen van starters en doorstromers gedifferentieerd is. Circa 40 procent van de totale nieuwbouwvraag is gericht op stedelijke woonmilieus en 60 procent op groene woonmilieus. In stedelijke milieus is relatief veel vraag naar eengezinswoningen (stadshuizen) en in suburbane milieus (bijv. VINEX-locaties) een kleine, maar niet te verwaarlozen, vraag naar appartementen. Anders dan wat het Planbureau inschat, blijkt uit de analyse WoON 2018 dat binnen de koopsector de vraag naar appartementen 25 procent is en de vraag naar eengezinswoningen 75 procent. In de huursector vinden we ongeveer dezelfde verdeelsleutel. Het is dan ook belangrijk om te kijken naar doorstromers. Het gaat daarbij om grote getallen, namelijk bijna 600.000 huishoudens, met langere verhuisketens als positief effect voor de gehele woningmarkt. Doorstromers met hogere inkomens laten woningen achter op de bestaande markt voor de middeninkomens en die laten op hun beurt goedkopere bestaande woningen achter voor starters (ruim 300.000 huishoudens). Kopen De feitelijke woningkeuze voor eengezinswoningen en appartementen laat zien dat tussen wens en keuze in woningtype in de koopsector nauwelijks verschil bestaat. Wonen in een appartement is bij huishoudens met lagere inkomens meer een kwestie van pure betaalbaarheid dan van consumentenvoorkeur. Dat is ook logisch: een appartement is gemiddeld 25 procent goedkoper dan een eengezinswoning. De koper richt zich op het ‘totaalproduct’. Niet alleen de (grootte van de) woning is van belang maar ook de woonomgeving en de daarbij behorende woningprijs. Minder bemiddelde kopers kiezen meer voor een appartement omdat dat woningtype gemiddeld de laagste woningprijs heeft. Een eengezinswoning zit er dan niet in. Ook starters met een laag inkomen zijn met name te vinden in het prijssegment tot €250.000. Ze komen dan terecht bij de kleinere appartementen, vaak in de minder geliefde wijken van de stad. De eerdergenoemde faciliteiten die het wonen in een bepaalde wijk of stad juist interessant maken zijn in deze wijken vaak niet voorhanden. Het starters-inkomen laat een andere keuze gewoonweg niet toe. Woonvoorkeuren De druk op dit soort appartementen in het goedkopere segment neemt alleen maar toe, wat weer een opwaartse druk op de prijzen veroorzaakt. Door een tekort aan nieuwbouw van vooral eengezinswoningen komt doorstroming niet voldoende van de grond. Starters hebben dubbel het nakijken, niet via bestaand en niet via nieuw. Dit wordt nog versterkt doordat corporaties weinig meer verkopen. Het is dan ook van belang om bij bouwplannen de woonvoorkeuren van mensen meer tot uiting te laten komen: meer eengezinswoningen in diverse, vooral groene woonmilieus. Een dergelijke woningbouw zorgt ook nog eens voor veel doorstroming op de woningmarkt, met daarbij langere verhuisketens. Dan komen vooral goedkopere woningen vrij voor starters en andere huishoudens met een lager inkomen. (Hendrik Jan Bot met dank aan Geurt Keers, Commissie Sociaal Economische Belangen)

UIT HET VERANTWOORDINGSORGAAN PFI

Waarover gaat het jaarplan 2020 van VO-PFI?

Om de taak van het verantwoordingsorgaan van PFI (VO-PFI) structuur te geven maakt het jaarlijks een plan. Wat zijn de belangrijkste aspecten van het jaarplan 2020 van het VO-PFI?

Twee externe ontwikkelingen In 2020 zijn twee externe ontwikkelingen die mogelijk een grote impact hebben op het Fonds: de coronacrisis en de invoering van het onlangs gesloten pensioenakkoord. Vooral de coronacrisis vraagt zowel van het algemeen bestuur (AB) als van het bestuursbureau (BB) van PFI maximale aandacht. Voor het VO-PFI is het belangrijk om te zien hoe het AB en BB in een crisistijd als deze opereren. Hoe effectief zijn de beheersmaatregelen van het BB en de uitvoeringsorganisaties in deze periode? Het VO-PFI wordt op vierwekelijkse basis bijgepraat door het AB. Dan zijn deze aspecten van belang: • financiële situatie PFI • operationele continuïteit • communicatie door PFI • aanvullende maatregelen PFI Hoewel het landelijke pensioenakkoord wat op de achtergrond kwam, gaan voorbereidende activiteiten gewoon door. De mogelijke invulling van het pensioenakkoord kan een grote impact hebben op ons Fonds. Het is daarom belangrijk dat goed wordt bewaakt wat de status is van de voorbereidingen zodat tijdig de nodigde acties worden genomen. Naast deze twee topprioriteiten heeft het VO-PFI een aantal basisthema’s, adviesthema’s en speerpunten voor 2020 geformuleerd. Basisthema’s Basisthema’s zijn thema’s die ieder jaar terugkomen en die van belang zijn voor de oordeelsvorming. Welke beleidskeuzes worden gemaakt, hoe worden de keuzes uitgevoerd en wat is het resultaat? De ambitie van het VO-PFI is hierbij een proactieve houding. Dit houdt in dat het tussentijds wordt bijgepraat, tussentijds invloed kan uitoefenen op de wettelijke en eventuele bovenwettelijke adviesrechten en achteraf oordeelt over beleid en handelen van het bestuur. Een paar voorbeelden zijn pensioenuitkeringen, klachten-/geschillencommissie, integriteitsissues, beleggingen, uitbesteding AZL, MVB-beleid (maatschappelijk verantwoord beleggen) en samenwerking bestuur. Adviesthema’s Thema’s waarvoor naar verwachting advies gevraagd zal worden zijn de uitvoeringsovereenkomst 2019/2020 en het project “Wij werken aan uw pensioen”. Speerpunten Speerpunten zijn onderdelen die we als VO-PFI actief willen volgen in 2020. 1. Het project “Wij werken aan uw pensioen”. IJkpunten in de boordeling daarvan zijn allereerst de vlekkeloze invoering per 1 juli 2020 en de communicatie hierover naar de deelnemers. Ook de ontwikkeling van de ondersteunende Pensioenplanner(s) krijgt aandacht: zijn deze tijdig gereed, functioneren ze zoals beoogd en zijn ze gebruikersvriendelijk. Ook kijken we naar de communicatie rond de verschuiving van de pensioendatum van 62 naar 65 voor een grote groep deelnemers. 2. Kostenbewustzijn. Leiden de doorgevoerde verbeteringen in het kader van het project “Wij werken aan uw pensioen” tot een aanwijsbare grotere efficiency bij AZL en uiteindelijk tot een reductie van de kosten per deelnemer? 3. Indexatie. 4. Digitalisering/digitale versnelling. Dit betreft de dienstverlening richting de deelnemer. Deels komt dit ook terug in de communicatie (=adviesrecht) en deels is dit onderdeel van beleid (=oordeelsvorming). Specifiek aandachtspunt: wordt iedere deelnemer bereikt? 5. De uitvoering van het meerjarig communicatiebeleidsplan en de vertaling naar een communicatiejaarplan. 6. Cybersecurity. Kortom, naast de twee topprioriteiten worden deze basisthema’s, adviesthema’s en speerpunten voor 2020 geformuleerd in het jaarplan voor 2020. Het VO-PFI neemt zijn rol serieus… U kunt contact opnemen met het VO-PFI via verantwoordingsorgaan@pensioenfondsing.nl. (Ron van Alphen, namens het Verantwoordingsorgaan PFI)

Meer lezen over de rol van VO-PFI

Op de website van Pensioenfonds ING (PFI, ook als Fonds aangeduid) wordt de rol van het verantwoordingsorgaan van PFI (VO-PFI) beschreven.